Voor elk probleem is een oplossing te vinden, zelfs als de achterstand niet te overzien lijkt.

Jack de Groot, Consultant

Een terugblik op het project: add-on geneesmiddelen 2017

Een terugblik op het project: add-on geneesmiddelen 2017

De reguliere projectplanning zit er voor de meeste ziekenhuizen op en de extra ontwikkeltijd (ingroeiperiode) is ingegaan. Omdat er voor menig projectteam toch nog wel het een en ander doorontwikkeld moet worden rondom de registratie van indicaties bij add-on geneesmiddelen, kijken we graag even terug en vooruit.

We kijken terug op een enerverende projectperiode, waarin het verloop van deadlines zeer grillig was en een grote impact had op projectresultaten. We kunnen stellen dat slechts enkele partijen (voornamelijk de NZa) in staat zijn geweest om in lijn te blijven met de planning zoals door de NVZ gepresenteerd in oktober 2015. Daarnaast hebben veel externe leveranciers, waaronder CIBG en Z-Index, zeer veel moeite gehad om aan de vastgestelde deadlines te voldoen.

Een unicum voor de declaratiewijziging was ook de aanstelling van een landelijke projectcoördinator. We kijken terug op een prettige samenwerking met Pieter Hooftman, met name vanwege de laagdrempelige benaderbaarheid.

Kansen en bedreigingen: automatisering en (weer) een grote rol voor de medisch specialist

Per 1 januari 2017 is de declaratiestandaard van supplementaire producten gewijzigd ten gevolge van de beleidsregels uitgegeven door de NZa (BR/REG-17121 en NR/REG-1713). Om vanaf 1 januari 2017 supplementaire producten te kunnen declareren moet het ziekenhuis het ketenproces zo aanpassen dat de uitkomst van dit ketenproces, de factuur, voldoet aan de dan geldende declaratiestandaard (DG301-DG302v.1.0).

Inmiddels zijn de meeste ziekenhuizen op één of andere manier ‘live’ gegaan. Sommige ziekenhuizen houden voor nu nog een handmatige registratie bij, terwijl andere ziekenhuizen al wel een systeem hebben dat ZI-nummers, fracties en indicatie ID-codes aankan. Er is een (tijdelijk) ketenproces gecreëerd waarvan de uitkomst voldoet aan de declaratiestandaard. Voor veel ziekenhuizen is dit ketenproces echter nog suboptimaal, bevat het veel handmatige acties en zorgt het voor toegenomen administratieve lasten.

In het gesprek met de medewerkers viel wel op dat niet iedereen de wijzigingen als nuttig ervaart, ook als je (soms herhaaldelijk) het beoogde doel uitlegt. De wijzigingen zorgen voor frustratie op de werkvloer omdat de indicaties soms wel heel specifiek zijn, soms ontbreken, soms nog niet zijn beoordeeld. Het is lastig om te starten met een nieuwe werkwijze, als er ook nog veel onduidelijk is. Treffend was een arts die zei: “Is het serieus de vraag of wij bij iedere patiënt die geneesmiddel X gebruikt nagaan of het een gevalletje 123 of 124 betreft? Ik mag toch hopen dat verzekeraars erop kunnen vertrouwen dat wij een juiste indicatie stellen voor een dergelijke kostbare behandeling.”

Kinderziektes

Terwijl de overstap naar indicatie ID-codes nog de nodige kinderziekten kent, verloopt de overstap naar ZI-nummers een stuk soepeler. Dit lijkt een wijziging die inderdaad zorgt voor transparantie. Apothekers geven aan dat zij allang geneesmiddelen inkopen op ZI-nummer. Nu de (veelal handmatige) vertaalslag van ZI-nummer naar ZA-code is geschrapt, wordt het gemakkelijker om te vergelijken wat de apotheek inkoopt met wat er vanuit de apotheek wordt gedeclareerd via het ziekenhuisinformatiesysteem. Een vertaalslag minder, fijn.

Omdat is besloten een ‘ingroeiperiode’ in te stellen tot 1 juli 2017 voor de ziekenhuizen die nog niet in staat zijn om geautomatiseerd de indicaties vast te leggen, zullen meerdere ziekenhuizen de komende periode besteden aan het voltooien van het vastleggen van de indicatie. Dit zal variëren van volledig geautomatiseerd tot deels handmatig.

Daarnaast zal er afhankelijk van ZIS en van interne afspraken rondom registratieverantwoordelijkheden en controlecycli verder worden gekeken naar het verfijnen van de procedures rondom juistheid, tijdigheid en volledigheid.

Tot juli tijd om ‘erin te groeien’

Hoewel de ingroeiperiode is bedoeld voor ziekenhuizen, blijkt dat ook landelijke partijen nog wat tijd nodig hebben om knelpunten op te lossen. De ingroeiperiode geeft landelijke partijen de gelegenheid om resterende problemen rondom het vastleggen van de indicaties aan te pakken, zoals de indicaties die momenteel nog een aanspraakstatus ‘O’ (onbekend) hebben, ontbrekende indicaties en conflicterende indicaties (middel A moet met middel B voor indicatie 1, maar middel B wordt voor indicatie 1 niet vergoed). Het is uiteraard fijn dat in korte tijd on- en off-label indicaties zijn geïnventariseerd en voorzien van aanspraakinformatie, maar er bestaat zeker nog veel onduidelijkheid. Duidelijkheid rondom de indicaties en een kloppende set indicaties, die voldoet aan de landelijke richtlijnen en aan de stand der wetenschap, helpt medewerkers om de juiste indicatie vast te leggen. Als er een uitputtende lijst indicaties is, dan geeft dit ziekenhuizen uiteindelijk meer inzicht in de aanspraak op vergoeding per geneesmiddel.

Een positieve ontwikkeling is in elk geval dat de verkorte indicatietabel (nu eenmalig uitgegeven) zeker door een partij beheerd zal gaan worden. Absoluut een zorg minder. Hoe en wat… dat blijft nog wel de vraag. Totdat het helemaal afgerond is, blijven wij vanuit Vossius de ontwikkeling nauwgezet volgen en onze klanten van raad en daad voorzien.

WAT HOUDT VOSSIUS BEZIG?